Klein?

Lieve Allemaal,

Lang niet geschreven, het ging niet zo lekker allemaal. Nu is januari ruim voorbij en dat is wel zo goed. Boze nachten, zwarte dromen die ochtendlicht trotseren en zich de morgen toe-eigenen, de dag het duister in jagen en angst zaaien voor weer een nacht. Terug, vijftien jaar en langer, naar een tijd die geen verleden tijd wil worden. Nooit gewenning, wel verbazing over zo lang geleden en nog steeds … Het kan wel wat minder al mag het niet weg.

Doni was voor twee weken in Lampung, naar islamitisch gebruik is er honderd dagen na het overlijden een ceremonie en daar moest hij natuurlijk bij zijn. Ik word vroeg wakker. 5.45 uur, iemand heeft besloten dat het moment om een aantal bomen te lijf te gaan met een flinke kettingzaag is aangebroken. Die is wel een paar uur bezig. 6.00 Niet meer kunnen slapen. De buurman verderop blijkbaar ook niet, hij zet zijn gebruikelijke muziek op. Geen idee wat voor muziek, hier horen (en voelen) we alleen de bassen. 6.15 Dan maar opstaan en koffie maken. De zon schijnt al flink, het is 28 graden en de luchtvochtigheid is extreem, de gevoelstemperatuur loopt overdag op tot 38. Het is februari en de regentijd die normaal eind oktober begint komt nu, misschien, eindelijk op gang. Twee of drie keer leek het erop dat er iets ging gebeuren – een buitje van een uur of twee – en dat was het dan weer. Nu drie of vier keer echte regen met overlopend zwembad, ondergelopen tuin en alles wat erbij hoort. De laatste dagen weer niets. Veel Balinezen weten overigens wel hoe dat gebrek aan regen komt. Er zijn hier bars en clubs in de buurt die ’s avonds met een laserstraal hun locatie aangeven. En die lazerstalen, dat begrijp je, maken de regenwolken kapot.

Morgen begint Galungan, de geesten van de voorouders komen op hun halfjaarlijkse bezoek en de penjors, grote versierde staken, staan al voor ieder huis. Ook in Bali waait een wind van vasthouden aan tradities. Priesters en sociale controle waren ooit genoeg de boel in toom te houden, met het massatoerisme werkt dat niet meer zo feilloos. Reden voor de politiek zich er mee te gaan bemoeien. Er zijn intussen regels die leraren, scholieren en medewerkers van b.v. winkels verplichten elke donderdag in traditionele kledij te verschijnen. Voor scholen is één dag in de week onderwijs in het Balinees en een dag in het Engels verplicht. Er staat een nieuwe regel op stapel die taxichauffeurs verplicht een Balinees adres te hebben, vloeiend Indonesisch, Balinees en Engels te spreken en traditioneel gekleed te gaan. En zo komt er nog wel meer.

De praktijk zal weerbarstig blijken. Dat vloeiend Engels spreken moet een grapje zijn, er blijven dan nauwelijks chauffeurs over. Onderwijs in Balinees is problematisch omdat er voor verschillende vakken geen Balinese woorden zijn, grote supermarkten gaan mee in de voorschriften voor kleding maar ze zijn (vooralsnog) onmogelijk af te dwingen dus veel winkels houden zich bij de spijker- of zelfs korte rok en broek. Toch, ook hier, de wens de wereld te laten zoals die is en tegelijk tradities tot een tweesnijdend zwaard te maken.

Op Bali wonen niet alleen Hindoes met Balinese wortels. Ze waren er altijd al maar de welvaart hier heeft de afgelopen decennia meer mensen van andere eilanden aangetrokken. Die spreken over het algemeen geen Balinees en voor hun kinderen is school in die taal niet te doen. Pakaian adat Bali (traditionele kledij) is niet precies wat een moslim als passend wil dragen. Die taxi-regel is niet alleen bedoeld het chauffeurs van Uber en Grab moeilijk te maken, het is een pogen elke niet Balinees uit de taxi business te houden. Dat nogal wat regels in strijd zijn met landelijke wetten is blijkbaar geen probleem. Omvolking, boreaal en homeopatische verdunning ga je hier niet horen. Van de moord op de moorkop (zo noemde een NL ‘politicus’ dat) weet niemand, zwarte Piet kwam hier toch al niet. Maar de sentimenten zijn niet anders: Bali voor de Balinezen en Bali eerst.

De dagen weer druk aan het werk voor het nieuwe E-boek, de wat haperende productie van januari moet goedgemaakt. Tussendoor nog even naar Singapore geweest om glas te kopen: donderdags heen, vrijdag terug. Het viel niet mee, de keus was beperkt, de prijzen waren (veel te) hoog. Plus de kosten van ticket e.d.: tel uit je verlies. Als ik deze zomer in de VS les ga geven wil ik daar een hele kist bestellen. Vooraf wel zien dat ik hier de importvergunning in orde krijg. Waarom is me niet duidelijk want het wordt hier niet geproduceerd maar het is gedoe in dit land iets binnen te brengen.

‘s Avonds uit eten vlakbij, geen zin om te koken. Het restaurant is gevestigd in gruwelijk ontoepasselijke architectuur maar, vanaf het verder lege terras op de eerste verdieping heb je een mooi uitzicht over de in-groene vallei en zie je de betonkolos niet. Net als Vonhoff bovenop de Neudeflat de mooiste plek van Utrecht vond. Aan de verre overkant loopt een wandelroute. Van waar ik zit zie ik mensen lopen als bewegende stipjes in de verte, klein en schijnbaar doelloos gelijk de mieren die bij ons op het terras hun onbegrijpelijke routes volgen. Tropisch snel valt de duisternis, al wat zichtbaar blijft zijn wat lichtjes van huizen ver weg en sterren, ontelbare sterren. Meer dan 200 miljard sterren in ons Melkwegstelstel dat, met haar 120 miljard lichtjaar doorsnee, maar één stelsel is tussen honderd miljard of meer andere. Op welke gronden noemen we mieren eigenlijk klein? Alles uit sterrenstof, een onbeschrijfbaar klein beetje stof van sterren waar het ons mensen betreft.

En toch zegt Rumi*, “Je bent geen druppel in de oceaan, je bent de hele oceaan in een druppel”.   

Lieve groet, Frank  

*Jalal ad-Din Rumi. Perzisch filosoof, dichter en soefi-mysticus. Leefde van 1207 tot 1273.