Identiteit

“Het is ontluisterend, bedacht ik, hoeveel we verliezen door zaken als religie, huidskleur, afkomst en nationaliteit boven ons mens-zijn te plaatsen. Maar is het überhaupt mogelijk mens te zijn zonder al deze dingen?”                            Stevo Akkerman in Trouw

Lieve Allemaal

Yogyakarta was leuk, heel leuk. Op weg naar het vliegveld wel in de zenuwen want mijn paspoort en identiteitsbewijs zijn bij immigratie. Volgens het bureau dat de visa regelt was een kopie geen probleem maar had ze gelijk? Ja, ze had gelijk. De controles zijn niet zo heel stevig. We hadden alleen handbagage en allebei een flesje arak – ja, weer alcohol – in onze tas. Gaat altijd goed beweerde Doni en, ook hij had gelijk. Een halve liter vloeistof; zo’n mooie scanner helpt weinig als niemand oplet.

In Yogya veel gelopen, gezwommen, vrienden ontmoet, lekker gegeten en goede tijden beleefd. Alleen de tocht naar de Merapi, een vulkaan, was een teleurstelling. Anderhalf uur op de motor en eenmaal hoog in de bergen aangekomen was de bewolking zo dicht dat we de vulkaan niet eens gezien hebben. De stad bruist weer, nog steeds allervriendelijkste mensen overal. Veel hoofddoeken – ook daar steeds meer het vasthouden aan identiteit – en zeker twee keer hoorde ik daar negatief commentaar op. Het heeft mij niet gestoord, ook bij bedekt haar blijft de mens gewoon zichtbaar. Tegelijk denk ik dat vastklampen aan een identiteit, welke dan ook, het moment fixeert en groei of zelfs maar beweging onmogelijk maakt. Maar dat is dan weer niet voorbehouden aan alleen het dragen van een hoofddoek. Op weg terug naar Bali hoorde ik op het vliegveld de mooist gezongen – betoverend was het woord – roep van de moskee ooit. Die vraag van Akkerman beantwoord ik met een volmondig ja. En ook met: we zullen wel moeten.

Weer in Bali nu, Doni is in Jakarta, zijn moeder is erg ziek en heeft hulp nodig. Deze foto kwam ongeveer gelijk met die foto van burgemeester van der Laan met de koning en ze hebben iets gemeen vind ik, iets van de essentie van zijn.

Tussen ‘gewone’ mensen is die arm vaak wel voorhanden, van de koning lag het misschien minder voor de hand en dat die er wel was deed goed. Nynke de Jong schreef het zo: ‘We zouden die arm allemaal wel willen geven maar we zouden die arm zelf ook wel willen hebben. Waar vind je nog bindende leiders?’ Het grote verhaal, een verhaal dat zich vooral in de kleine dingen manifesteert, mist kamerbreed. Te beginnen met een MP die bij het woord visie naar eigen zeggen denkt: ga naar de oogarts, maar ik constateer hetzelfde gemis bij al die, al dan niet formerende mannen en vrouwen, die er maar niet uitkomen.

Bijna veertig jaar geleden stond in het eerste eigen huis kort na aankoop de schimmel op de wanden. Het maakte niet blij en dat we de oorzaak niet konden vinden frustreerde. Na maanden zoekacties, openbreken en graven bleek de waterleiding van de buurman lek.  Die had het stilgehouden want wat niet weet … Het spoot allemaal lekker onder ons huis en zodoende.

Iets alerter nu had ik al snel door waarom hier de grond drijfnat was, de septic tank volliep met water en de betonnen plinten vochtig werden. Was ook makkelijker uit te vinden, de met de buren gedeelde pomp die water uit de grond haalt sloeg vier keer per uur aan. Elke keer 400 of meer liters in het vat pompend die dan 10 minuten later alweer aangevuld moesten. Zoveel doucht niemand, zeker niet 24/7. Nadat ik hier het water had afgesloten en de pomp onverminderd doorging was het duidelijk: een lek bij de buren. Meer dan een maand op reparatie aangedrongen, eerst was er ontkenning maar uiteindelijk kwam de man die het indertijd heeft geïnstalleerd en repareerde het binnen tien minuten. Klaar meneer! Alleen … de pomp sloeg nog steeds 4 keer per uur aan. Niks opgelost. Na mijn dreiging de pomp helemaal uit te zetten kwam gisteren, weer een maand later, de reparateur eindelijk weer. Gerepareerd mijnheer, het was op zes plaatsen stuk. Hij was er wel trots op dat hij dat zomaar gevonden had. De pomp is intussen stil, we kunnen gaan drogen.

Veel liefs, Frank

 

Merdeka

Het eindeloze geëpibreer over de formatie werpt vragen op over slagvaardigheid, competentie en besluitvaardigheid. Hoe moet ik capabel om een land te besturen verstaan?

Lieve Allemaal,

17 augustus: hari merdeka – onafhankelijkheidsdag. De morgen begint met groepen scholieren en ambtenaren die door de straten marcheren in militaire pas, de meest fanatieke van elk groepje telkens voorop om haast krijsend de mars te dirigeren. Het militaire apparaat heeft in dit land een grote stem. In de middag paalklimmen, hoog in de paal zijn kleine cadeautjes opgehangen en wie het via de met zeep ingesmeerde paal redt naar boven kan een keuze maken.

Selamat (prettige) hari merdeka zeg ik tegen Doni. Onafhankelijk waarvan vraagt hij wat uitdagend en ik denk dat hij wil dat ik zeg ‘de Nederlanders’ maar het is anders. ‘Vrij van een zichzelf dienend, corrupt parlement, vrij om je mening te uiten, vrij om te zijn wie je bent? Dat is merdeka maar waar is dat?’ Nooit geweest denk ik. Eerst een kolonie van Nederland en nu gevangenen van een groep die vooral zichzelf verrijkt en inadequaat bestuur levert. Intussen wel druk met de volgende verkiezing, ze zouden hun plekje niet graag verliezen. Wellicht is dat de reden dat uiterst voorzichtig wordt omgegaan met een, ook hier aanwezige, groep fundamentalistische zeloten met als gevolg natuurlijk de stinkende wonden.

Het is 72 jaar geleden dat Indonesië zich onafhankelijk verklaarde van Nederland. Nederland zelf had vier jaar nodig om de nieuwe situatie te accepteren en ging zich die tijd te buiten aan wat eufemistisch politionele acties heette: een oorlog dus. Die datum bleef lang lastig, Indonesiërs die een beetje zonder onze toestemming zelfstandig dachten te zijn! Nog in 1995 mocht Beatrix van de NL regering haar staatsbezoek niet op 17 augustus beginnen en moest een dagje in de wacht in Singapore. Dat viel toen niet zo goed hier. Pas in 2005 bevestigde minister Bot dat 17 augustus toch echt de datum is. Ze zijn er trots op, de Indonesiërs, en tegelijk; zonnige tijden blijven wel uit voor heel veel van hen.

Niks ernstigs maar het gaat ook op voor het weer, nog steeds veel regen in Ubud. Het zuiden van Bali heeft het beter maar hier, ongeveer 600 boven zeeniveau blijft het kwakkelen. Het heeft geen invloed op het aantal toeristen, het is vol. Na elven de deur uit gaan is een slecht plan, de files bouwen zich op en Ubud passeren kan zomaar een uur of meer extra kosten. Maakt voor ons ook weer niet zoveel uit allemaal, er moet gewerkt worden. Afgelopen weken een video samengesteld over mijn werk in de laatste 35 jaar en na wat gestoei met YouTube staat die nu online. 14 minuten lang en ik ben blij met het resultaat, de commentaren zover zijn zeer positief. Voor als je zin hebt:

https://www.youtube.com/watch?v=XLnV_C_6VG8&t=24s

Morgen heel vroeg op, we gaan voor een paar dagen naar Yogyakarta op Java, een uurtje vliegen van hier. Even eruit, even wat anders, in Yogya is vooral op cultureel vlak veel te doen en we zien ernaar uit. Dat zich vlak bij ons hotel ook Mediteranea bevindt, een geweldig restaurant met excellent eten en goede wijnen tegen vriendelijke prijzen, is ook wel prettig. Ook in Yogya nogal wat ontwikkelingen die zorgwekkend zijn; van Randwijk – “een volk dat voor tirannen zwicht …” – wordt ook daar niet gehoord. Aan de buitenkant is, buiten de oprukkende hoofddoek, niet veel te zien. Wie het nieuws volgt weet dat de (vele) liberale aspecten van de stad steeds verder onder druk komen of al verdwenen zijn. *****Het blijft vreemd hoe kleine minderheden, ook in ons land, de verhoudingen wegsturen van respect en verdraagzaamheid. Daar met boosheid en haat op reageren is geen begaanbare weg, met open deur pal blijven staan voor liefde en broederschap is wel een opgave.

Lieve groet, Frank

 

over papier en thuis

Mijn poging bloed te geven aan het rode kruis is op niets uitgelopen: ik ben te oud. Fijn dat het rode kruis het nog eens duidelijk maakte.

Lieve Allemaal,

Als je niets meer van me hoort ben ik verloren geraakt in een papiermolen. Mijn kitas – tijdelijke verblijfsvergunning – wordt vervangen door een kitap. Dat is met de P van permanent al is dat permanente nog steeds maar vijf jaar. Er is een berg formulieren en documenten nodig en ik word afwisselend moedeloos en razend. Stel je voor, je gaat je inschrijven bij een gemeente; dan willen ze een woonadres, normaal. Maar nu vraagt die ambtenaar om het huurcontract, een kopie van het identiteitsbewijs van de huisbaas en, nu we toch bezig zijn, ook een kopie van het ‘trouwboekje’ van de huisbaas. Je denkt aan een gehoorprobleem. En dan willen ze ook een ondertekende brief waarin huisbaas verklaart het geen probleem te vinden dat je onderdeel wordt van zijn/haar gezin. Bananasplit misschien? En een kopie van de identiteitskaart van de hulp en van de tuinman en een brief van de baas én van de administrateur van het dorp die dan beiden verklaren dat je in dat dorp woont. En ook een brief van de buurtschap dat je in die buurtschap woont. Maar als ik in Penestanan woon, woon ik toch in Gianyar? De ambtenaar glimlacht om zoveel naïviteit, blijkbaar ziet hij wegen om in een dorp in een buurtschap te wonen buiten die buurtschap. En dan weet je, het is menens. Dat wordt nog eens een brief van god dat je op aarde woont.

Verder bankafschriften, ziektekosten verzekering, een overlijdensverzekering want naar huis lopen zit er in dat geval niet meer in weten ze en pasfoto’s, bergen pasfoto’s met verschillende kleuren achtergrond in allerlei maten. Om al die verklaringen te krijgen moeten dan weer stapels formulieren ingevuld worden, nooit goed de eerste keer en altijd mist er wel één die ook nog moet en met regelmaat administratiekosten die hoger zijn dan een kwart maandsalaris hier. Zonder kwitantie natuurlijk. Als ik straks alles bij elkaar gesprokkeld heb moet ik de hele boel inleveren, inclusief paspoort en een paar duizend euro; het gaat ongeveer 2,5 maand duren. Op reis zit er die tijd niet in, paspoort moet ingeleverd, het inzicht dat je ook het stempel aan het eind van de procedure kan zetten is nog niet geland.

Veel in dit land gaat kapot aan corruptie maar ook de ambtenarij doet met papierwinkels zijn uiterste best. Allebei inkomensverschaffing, werkverschaffing impliceert iets anders. Als ik het allemaal overleef ben ik er wel voor vijf jaar vanaf, daar denk ik dan maar aan.

Misschien kan iemand eens een kalender naar boven sturen. Het droge seizoen is nu drie maanden aan de gang en tot voor kort elke dag regen. Nu alleen nog maar koud, het zwembad dat vier jaar rond de 29 graden was komt nu net tot 25.

Met een dik vest aan (nog nooit gebeurd) op de motor naar het kantoor van de BJPS voor een ziektekostenverzekering. 8 uur ’s morgens gaan ze open, we waren er. Geen succes. Wij kregen het laatste nummer: 85. Dat staat bij tien minuten per bezoeker en twee balies gelijk aan een dag wachten. De volgende dag was ik er om 6 uur – nog kouder – en ik was de derde. Gestaag nam, onder gezellig gekeuvel, het aantal wachtenden toe, tegen achten stond er een man/vrouw of veertig. Toen gingen de deuren open en kon ieder zijn nummer trekken. Niks gemoedelijk meer, het werd duwen en trekken. In de chaos die ontstond kreeg ik toch nog nummer drie. Even later zat een vrouw die ik tegen achten had zien komen naast me. ‘Zo zielig voor die zwangere dame, ze was hier als eerste vanmorgen, half zes!, en nu heeft ze nummer 12.’ ‘En u?’ vroeg ik. ‘Ik heb nummer 5’, ze straalde.

Wie eenmaal onherroepelijk op reis gaat zal nooit meer helemaal thuis kunnen komen lees ik ergens. Ik twijfel of het waar is want waar is thuis dan? Dat huis in die straat in die stad? Ik werk in de studio, een open ruimte achter het huis. Doni zingt op het terras aan de voorkant mee met een cd van Ebiet. Dat is thuis, en dat kan overal. Alles stroomt, niets blijft, ik weet het; de tijd is nu. Ervan genieten is een kunst die ik niet altijd beheers maar op zo’n dag lukt het goed. Heerlijk thuis, weg van de files.

Van het toerisme hier begrijp ik niet veel. We zien steeds meer bezoekers, Ubud is overvol. Naar verluidt meest met ‘package’ toeristen; Chinezen en Taiwanezen die een reis hebben geboekt inclusief alles en niets meer uitgeven. De Balinezen klagen steen en been. En er is toch al teveel van alles. Bijna 600 restaurants in Ubud alleen al, wie een stuk land verpacht koopt een auto en wordt taxichauffeur. Hotels, bezettingsgraad veel te laag, worden nog steeds bijgebouwd. De overheid wil meer toeristen trekken terwijl de infrastructuur aanpassen praktisch onmogelijk is. We zullen zien waar het heengaat. Files overal, vandaag drie uur gedaan over een afstand van 30 kilometer – idyllisch Ubud. Vooralsnog heb ik een rustig plekje en zolang ik niet naar buiten hoef …

Joris is hier met zijn zoon en volgende week gaan we raften. Ik hoop dat ik het leuk ga vinden – beetje eng – maar files op het water zijn (nog) niet te verwachten. Verder zitten we allebei tegen de griep aan maar goed, laat maar want dan begin ik weer over het weer. Het gaat goed hier,

Lieve groet, Frank

op reis

Because the world is so full of death and horror, I try again and again to console my heart and pick the flowers that grow in the midst of hell.                   Hermann Hesse

Lieve Allemaal,

Die wat te dikke jongen in zijn oude-mannen-winterjas; hij loopt nog steeds over pleinen en zoekt vlijtig verder naar … hij weet niet altijd wat. Meer dan zestig kalenders omgeslagen – vandaag verglijdt in gisteren gelijk verleden soms het heden reflecteert. De spiegel is het kortgeknipte kinderhoofd vergeten, alleen de ogen zijn als toen: blauw onzeker. In dromen ziet de jongen zichzelf gaan, de dagen neemt de man het over. Vervuld van heimwee gaat hij voort en probeert de jongen te bewaren.

Verleden tijd verliest diepte, alles wat niet belangrijk is wordt onverbiddelijk uit het doosje van herinnering gekiept; slapen, eten, drinken en wachten op de bus, het meeste gaat er aan. De ketting van gebeurtenissen en emoties die overblijft is een geschiedenis in staccato – hoogte- en dieptepunten op rij. De komende week hoop ik vijfenzestig te worden en onvermijdelijk kijk ik terug. Bij elk station, bij elke tussenstop, werd de jongen iets ouder, ietsje wijzer – soms geleidelijk, soms met schokeffect. Vanmorgen voor de spiegel zag ik een man van (bijna) vijfenzestig – kalenders liegen niet – en dat is goed zo. Niettemin zou ik iets van die jongen wel wat vaker willen zien. Wijsheid vergaren en tegelijk de onbevangenheid bewaren: levenskunst en maar soms lukt het.

Jezelf zijn, worden wie je werkelijk bent. Ook in Indonesië wordt het, Bali even niet meegerekend, mensen al moeilijker, zo niet onmogelijk gemaakt. Een slappe overheid, beducht voor afvalligheid van een regio, besloot toe te staan dat in Aceh, Noord Sumatra, de sharia werd ingevoerd. Het gevolg is een wereld waarin onderdrukking de norm is, waar deze week twee homo’s in het openbaar 85 stokslagen krijgen toegediend. Ze zijn niet alleen want de fascinatie met het gedrag van anderen is groot, de lijst met mogelijke ‘vergrijpen’ lang. Vrouwen mogen alleen nog in amazone zit op de motor en uitsluitend achterop bij een rechtmatige echtgenoot, hoe over seks voor/buiten het huwelijk wordt gedacht hoeft geen betoog. Gefixeerd op het privé gedrag van anderen, de focus op alle zaken van de buitenkant in een maatschappij die corrupt is tot op het bot.

Gisteren werden in Jakarta honderd mannen opgepakt op een ‘ontmoetingsplaats’. Het was hier in de meeste families niet makkelijk voor homo’s, de druk wordt nu opgevoerd door de overheid die bang is radicale idioten voor het hoofd te stoten. Emmanuel werd vermoord om wie hij was maar ook hier is de prijs gruwelijk hoog. Nauwelijks thuis in ‘die kringen’ ken ik zeker tien mannen die, ondanks hun geaardheid, toch maar getrouwd zijn. Situaties van ongeluk waar risicovol gedrag op de loer ligt. Ook als je geen homo bent is het geen ver van je bed show, het gaat over de vrijheid te worden wie je bent.

Om mijn verjaardag alvast een beetje te vieren ga ik met Doni – ja die is weer hier – een paar dagen naar Nusa Penida, een kleiner eiland een kilometer of twintig oostelijk van Bali. Zwemmen is geen optie dus waren we vanmorgen bij de officiële toeristen informatie in Ubud om te vragen hoe laat de pont vertrekt. Valt niet mee. De eerste reactie is dat er geen pont gaat maar na doorvragen zag de man wel in dat dat onwaarschijnlijk is, van vertrektijden had hij niettemin geen idee. ‘Naar de haven gaan’, raadde hij aan, ‘de meeste dagen gaat er wel een’. Ach ja, wie een boot zoekt om verder te komen vindt er altijd wel één, daar wil ik dan weer wel op vertrouwen.

Lieve groet, Frank

Over boten gesproken: bijgaand nog zo’n fantastische foto van Marco Hamoen.

Vrijheid

Lieve Allemaal,

Terug in Bali, de 35 graden verschil met Noorwegen hebben gezorgd voor een flinke verkoudheid. Als ik als vijfjarige verkouden was blafte ik zo hard dat mijn moeder verweten werd dat ze een kind met kinkhoest mee de winkels in nam. Het is er niet beter op geworden. Arme buren. De dagen zijn zonnig warm en wat benauwd want zeer vochtig, in de nachten stort een tweede regenseizoen zich uit. (weer die Chinezen?) Veel zwemmen en zien de paar kilo’s die Nederland standaard meegeeft weer kwijt te raken en hard aan het werk aan nieuwe objecten.

In Nederland een tentoonstelling geregeld voor november aanstaande in kasteel Cannenburch in Vaassen. Prachtige ruimtes, antieke tafels waar modern glas mooi op contrasteert; het wordt spannend. Aanleiding is dat ik dit jaar 65 hoop te worden en ook al weer 35 jaar dit werk met glas doe. ‘Frank & Friends’, 4 t/m 19 november. Marco Hamoen maakte alvast de eerste foto’s van nieuw werk en ze zijn, als altijd, weer prachtig.

Acht uur in de avond was hier diep in de nacht. Wat verbaasd over alweer commotie over hoe en wie herdacht mag worden liet ik de dag mijn gedachten maar gewoon gaan en bedacht dat er nogal wat groepen mensen zijn die mijn gedenken verdienen. Het gewone is niet gewoon; een erfenis met verantwoordelijkheden. Soms snerpt de vraag door mijn hoofd waar ik gestaan zou hebben, hoe ik zou hebben gehandeld maar het enig denkbare antwoord blijft: ‘Nooit Meer’ en dat sluit wegen geplaveid met eigenbelang uit, is een holle frase in een maatschappij die niet inclusief is.

5 mei is voor Indonesië van geen bijzondere betekenis, de bevrijding kwam hier pas augustus 1945. Voor Indonesië als land zou het daarna nog 4 jaar duren – politionele acties noemden we die oorlog – voor het land werkelijk vrij was. Of de inwoners dat daarmee ook waren valt te bezien. Pas na decennia onder een dictator gingen ramen en deuren een beetje open. Er is nog steeds een vorm van censuur maar vrijheid van meningsuiting verbeterde al wordt daar, zo is de cultuur, in de regel voorzichtig mee omgegaan. Indonesië is niet het enige land waar diezelfde vrijheid meer ruimte gaf aan andere denkwijzen. Het aantal vrouwen dat een hoofddoek draagt is explosief gegroeid en of dat komt door veranderd inzicht of door bepaalde krachten die in een richting duwen is de vraag. Rechten van anders gelovende burgers worden nogal eens beperkt, vrijheid wordt in sommige kringen gedefinieerd als ‘iedereen de goede weg, jij moet denken zoals ik weet dat god het wil’. Dat samen met het spelen van de geloofskaart in de politiek is geen recept voor een inclusieve maatschappij. Ook binnen de regering zijn zorgen dat de Pancasila – de filosofische grondslag van Indonesië die (min of meer) een pluriforme staat waarborgt – onder druk staat.

(De huidige gouverneur van Jakarta kwam in problemen door een knip en plak video, gemanipuleerd en online gezet door een fanaticus, een figuur dat eerder studeerde in Nederland maar wegens luiheid en onkunde van de universiteit werd gestuurd. Dat de echte reden de Chinees / christelijke achtergrond van de gouverneur was zag een kind. Het was uiteindelijk voor de openbaar aanklager geen reden een veroordeling te eisen. De rechters besloten zojuist toch anders: 2 jaar gevangenis. Dag rechtsstaat.)

Op de Nederlandse televisie sprak iemand haar verbazing uit over hoe geleidelijk het allemaal gegaan is in die oorlogsjaren, hoe het kwaad, in relatief kleine stapjes, toch snel om zich heen greep. Extremisme wijst haast iedereen af maar een stapje op de weg, en dat honderd keer? Ik ben helemaal niet gerust op de ontwikkelingen.

Vrijheid geef je door, ook door pal te staan en die ‘kleine stapjes’ nooit te nemen. Nasrdin Dchar zette in de 5 mei toespraak dit jaar de term ‘ontjoden’ naast ‘de-islamiseren’. Dat komt hard aan. Vrijheid geef je door.

Lieve groet, Frank

Wachten

Lieve Allemaal,

De koning van Saoedi Arabië was in Jakarta en plakte er een paar dagen vakantie op Bali achteraan. Hij kwam met zeven vliegtuigen en 500.000 kilo bagage. Wat u zegt: geen echte backpacker. Beetje triest wel maar hij kan niet reizen zonder zijn twee goudkleurige vliegtuigtrappen, de vakantie is niet echt ontspannen zonder eigen gouden traplift en ach, wie zit er nou niet het liefst in zijn eigen gouden stoel. Zijn leven is al niet makkelijk en dan ook nog slecht alleen kunnen zijn; een gevolg van 1500 mensen groot moest daar een oplossing bieden. Het vliegveld was een paar uur dicht en naar verluidt gebeurde tijdens zijn vertrek hetzelfde. Een paar uur vertraging voor reizigers door een eeuw of meer vertraging in de ontwikkeling van een koningshuis en feitelijk een heel land. Indonesië was niettemin blij met zijn bezoek. Of die blijheid gegrond is betwijfel ik; de Saoedi ’s exporteren waarden en denkbeelden waar de wereld niet op zit te wachten, daar wegen een paar centjes voor nieuwe moskeeën niet tegenop.

Voor wat betreft Nederland: ik wacht wel tot donderdagmorgen, als ik opsta zijn ze misschien net klaar met tellen. De virtuele en moeizame wedstrijd, honderden keren herhaald in telkens iets andere opstelling, die er van is gemaakt moet het van argumenten niet hebben. Het ideale beeld lijkt zo hier en daar een homopaar dat verkleed als zwarte piet, al zingend van Wilhelmus, onder de kerstboom paaseieren zoekt. De complexe werkelijkheid ondergesneeuwd door slimmigheidjes, soundbites en Jip en Janneke taal. Voor integere politici met een wel doordacht programma een handicap, voor volksmenners een welkom voordeel. Een paar goede kranten, veel lezen; het helpt want niet stemmen is geen optie. Ik had ze niettemin wat meer en beter willen horen en zien, die vrouwen en mannen met plannen voor ons land. Je hebt een overtuiging, geen instituut dat banen moet creëren voor de leden, dus gewoon het eerlijke plan, graag mét twijfel en onzekerheden, zeker met passie en uit overtuiging. Versprekingen mogen, jokken, overdrijven of naar een ander wijzen even niet. Of ze de kans niet krijgen, gezichtsverlies vrezen of dat het de angst is dat het stemmen gaat kosten; ik weet het niet. Het lijkt amper te kunnen en toch, toch geloof ik dat zulke mensen de sleutel hebben een betere toekomst.

Bij Pauw en Jinek introduceerde Johan Fretz (zie zijn optreden op deze link: https://www.youtube.com/watch?v=0n_JEIF-0Aw ) een ‘nieuw’ soort mens: Radicaal Zachtmoedig. Ruard Ganzevoort muntte de uitdrukking al eerder, tot millennia terug zijn voorvechters van die houding te vinden en eindeloos veel mensen proberen er een dagelijkse praktijk van te maken. Fretz mooie betoog zette er nog eens de spotlight op. Radicaal zachtmoedig met geloof in ons kunnen, hoop op beter, liefde die wil verbinden – alles met het onsje twijfel van ‘doe ik het goed’. Soms wordt het behoorlijk donker maar tijd voor veel somberen hebben we niet, werk aan de winkel. Ik blijf voorlopig maar gutmensch, nadrukkelijk zonder daar de conclusie aan te verbinden dat ik het goed doe. Zoals vaker denk ik aan woorden van H. Roland Holst, aan die zachte krachten.

Valarie Kaur, een Amerikaans advocate van Sikh overtuiging zei het zo: “What if this darkness we’re in is not the darkness of the tomb but the darkness of the womb?” (Wat als het donker waarin we ons bevinden niet het donker is van het graf maar dat van de baarmoeder?) Jazeker, het is soms even wachten maar er komt weer licht.

Veel liefs, Frank

Voor de alleslezers onder u – als die er al zijn – plak ik hieronder een eerste hoofdstuk uit een nieuw boek waaraan ik werk. Commentaar – positief mag, kritisch is waardevoller – zeer welkom.

Het plein

De mannen zijn naar hun werk, de vrouwen poetsen het huis, de kinderen zitten op school. Langs aaneen gebouwde huizenrijen – drie of vier etages hoog met proper gewassen ramen en gordijntjes – staan hier en daar wat fietsen tegen de muur. Geen verkeer te zien. De melkboer is geweest, de postbode is bijna klaar met zijn ronde om dan verder te gaan naar de Insulindeweg, de voddenman met het paard voor zijn kar heeft hij al lang niet gezien.

Een stil plein, vijftiger jaren, Amsterdam Oost. In het midden een plantsoen met wat populieren, gras en een paar vermoeide struiken. Langs een pad dat precies halverwege door het plantsoen loopt staan twee verveloze banken. Als daar ‘s middags de grote jongens samen komen durft hij er niet langs. Voorjaar zit in de kalender maar niet in de lucht, het is droog maar nog steeds koud. Een man met een aktetas gaat langs de huizen, stopt bij elk portiek, kijkt en schrijft soms wat op. Dan gaat hij weer verder. De jongen loopt aan de overkant. Hij draagt een dikke jas. Twee wanten hangen, aan een touwtje dat door de mouwen van de jas loopt, naast zijn handen. Zijn oma heeft ze gebreid en ze kriebelen, zodra hij buiten is doet hij ze uit. Hij is niet lang voor zijn leeftijd en lijkt nog wat korter in de wollige, oudemannetjeswinterjas. Zijn steile haar is kort geknipt: een glad, opgeschoren kapsel. Zijn moeder noemt het oortjes vrij en lekker fris. Hij is pas ziek geweest en hoeft van zijn moeder nog niet naar school. De kleuterschool. Hij vindt het niet erg om niet te gaan. School is niet leuk en niet vervelend; hij gaat als het moet en denkt er verder niet over na.

‘Ga maar buiten spelen’ heeft zijn moeder gezegd maar er is niets te spelen. Lang blijft hij staan om naar een kat te kijken die in een vensterbank ligt. Tegen het raam tikken durft hij niet, zachtjes veegt hij met één van zijn wanten over het glas. De kat beweegt niet. Misschien is ze wel dood, denkt de jongen. Maar dat kan toch ook niet, als je dood bent, ben je weg. Waarheen weet hij niet maar zijn opa zit nu alleen in de voorkamer sigaren te roken. Hij wrijft nog eens over het glas. Opeens staat de kat op, rekt zich met open bek uit en kijkt hem met gelige ogen aan. Geschrokken loopt hij verder. Verderop staat een fiets met felrode handvatten. Een glimzwarte damesfiets met twee rode doppen, nog nooit gevallen, de handvatten zijn nog heel. Een nieuwe fiets, stelt hij vast. Waarom zetten ze die niet in de gang? Zijn vader zet de fietsen altijd in de gang, helemaal achteraan zodat je er geen last van had als je naar de wc moet. Als het geregend heeft liggen er kranten onder. Bovenop het stuur van deze fiets zit een doosje waar een haakje uitsteekt. Hij trekt er aan, het gaat op en neer en er komen grappige kraakgeluidjes uit. Krrrk, krrrrk, krrrrrk, steeds sneller beweegt hij het hendeltje heen en weer.

‘Hee jongetje, afblijven, dat is niet jouw fiets!‘ Hij kijkt omhoog en ziet op één hoog een vrouw uit het raam hangen.

‘Ja mevrouw,’ mompelt hij en loopt verder. ‘Ga maar spelen,’ roept ze hem na en het raam gaat met een klap weer dicht.

Hij wil wel in de perkjes achter het badhuis gaan kijken. Daar stinkt het geheimzinnig – naar pis zegt zijn broer – en er liggen dingen die mensen hebben weggegooid. Laatst heeft hij er lange stokken gevonden die je in elkaar kon steken zodat je een nog langere stok kreeg. ‘Gewoon een ouwe hengel,’ had zijn broer gezegd. ‘Dat is bamboe’. Bamboe, het klonk ook leuk. Bamboe. Later heeft zijn broer het meegenomen om te gaan vissen; het ding is nooit meer teruggekomen. Hij zou wel een nieuwe willen zoeken maar hij mag niet alleen van het plein af.

Een te dikke jongen van vijf loopt, in een te dikke winterjas, doelloos over het plein. Helemaal aan het eind, verder mag hij niet, staat een auto. Dat gebeurt niet vaak en zo’n grote auto als deze heeft hij nog nooit gezien. Heel lang en breed; uit de buigend aflopende achterkant steken twee punten als opgevouwen vleugels omhoog. Een vleugelauto. Hij loopt er naartoe en voelt aan het glanzend donkerblauw. Voorzichtig veegt hij zijn mouw over de flanken van de auto en ziet zijn gezicht gereflecteerd in de spiegelende lak. Hij leunt tegen de auto en kijkt, gefascineerd door de ogen die hem vanuit het diepe donkerblauw aanstaren. Zijn eigen ogen, dat kan hij zien als hij één oog dicht knijpt. Maar het is anders dan in de spiegel in de badkamer. Als hij daar op het krukje gaat staan ziet hij zichzelf, gewoon in de badkamer. Het diepe donker van de auto is een vreemde wereld. ‘Een andere kant’, fluistert hij. Hij vraagt zich af wie daar kunnen zijn – daar, in een wereld die hij kan zien en niet aanraken. En of je daar wél blijft als je dood bent. Intussen schuift hij, zijn lichaam wiegend langs de zijkant van de auto, zijn mouw op en neer, op en neer, berg op, berg af. Het gezicht in de diepte volgde prompt maar hij blijft alleen in die diepte.

‘Hee, sodemieter op jij, rotjoch. Blijf met je vieze tengels van die auto af.’ Hij schrikt op en ziet een man, vlakbij, in een deuropening staan. Terwijl de man nog wat roept rent de jongen, stijf onhandig, snel weg. Hij stopt niet tot halverwege het plein, tot waar de man met de aktetas net ergens aanbelt. Zwarte aktetas, zwarte jas, zwarte hoed en een dikke bril. Een vrouw doet open en even later hoort hij haar boos tegen de man praten. De stem van de man is zacht. Dan slaat de deur dicht.

‘Zo jongen, ben jij lekker aan het spelen?’ De jongen ziet het zwart, knikt schuw en loopt verder. Af en toe kijkt hij om of de man niet dezelfde kant op komt, hij hoopt maar dat hij niet naar hun huis gaat. Als hij thuiskomt is zijn moeder bezig in de keuken.

‘Mamma, ik weet waar oma is.’

‘Ja Frankje, oma is er niet meer,’ ze zucht terwijl ze een teil met wasgoed van het aanrecht tilt. ‘Dat weet je toch?’

‘Ja mamma – ik weet waar ze is.’ Zijn moeder is druk.

‘s Middags loopt hij met Margriet weer over het plein. Woensdagmiddag, alle kinderen zijn vrij. Ze praten – Margriet praat – hij luistert maar half. Ze wil de platgetrapte kauwgum van de stoepen halen om er een grote, nieuwe kauwgom van te maken.

‘Dat kan,’ ze zegt het stellig, ‘maar dan heb je wel een heleboel nodig.’

‘Dat mag niet,’ praat hij zijn moeder na. ‘Kauwgom op de stoep, dat is vieze troep. Dat hebben mensen uitgespuugd.‘ Margriet haalt haar schouders op en wijst dan plotseling omhoog.

‘Kijk, daar,’ hoog in de lucht gaat een vliegtuig over. Ze gaan op hun rug liggen en kijken.

‘Daar zitten mensen in,’ zegt Margriet. ‘Dat is een vliegmachine.’ Frank denkt dat het wel heel kleine mensjes moeten zijn. Hij gelooft het niet. Dan moet hij denken aan wat hij die morgen ontdekt heeft in de donkerblauwe wereld. Misschien, kleine mensjes, misschien.

‘We gaan lieveheersbeestjes zoeken,’ oppert Margriet. Ze zoeken in de struiken van het plantsoen maar het is te vroeg in het jaar. De grote jongens beginnen zich bij de bank te verzamelen en de jongen loopt, zonder nog iets te zeggen, terug naar de huizenkant. Het roepen van Margriet negeert hij.

Grote, luid pratende jongens; teveel dat hij niet begrijpt, teveel dat hem bang maakt. Van een afstand blijft hij staan kijken. Soms vechten de jongens met elkaar, hij heeft het een paar keer gezien. Rode koppen, vuisten knallend op elkaars gezicht, de één boven op de ander met een knie diens buik rammend. Scheldwoorden die nieuw voor hem zijn. Er omheen een kring van joelende, krijsende kinderen – jongens en meisjes. Een keer gooide iemand, van één of tweehoog, een emmer water naar beneden. Nog steeds tegen elkaar schreeuwend en scheldend waren de jongens gestopt. Hun moeder zou wel boos geweest zijn, dacht de jongen. Alles nat.

Nieuwsgierig en angstig was hij, voorzichtig onzichtbaar stappend, wat dichterbij gegaan. Misselijkheid in zijn buik, achter zijn ogen duwden tranen; niet te dichtbij. Angstige opwinding werd afschuw en hij wist zeker er nooit deel van te zullen zijn. Niet bij die jongens. Ook van zijn broer die bijna zes jaar ouder is – van alle grote kinderen eigenlijk – houdt hij afstand. Alleen met René, de stille broer van Margriet die al elf is, zou hij wel willen spelen. Bij Margriet thuis, af en toe is hij daar als tante Gre het goed vindt, zit René soms in de kamer; donker haar en vreemd donkere ogen. René let nooit op ze. Behalve de laatste keer, toen had hij Frank zomaar op zijn buik gekieteld. Geschrokken had hij in lachende ogen gekeken en zich snel vanonder die handen weg gedraaid; schuilen achter de tafel bij Margriet. Alleen zijn blik was René blijven volgen.

‘Laten we met de poppen gaan spelen, jij bent de vader.’ Hij wil geen vader zijn, geen zin om stil te zitten en te luisteren naar wat de moeder zegt.

‘Ik krijg mijn eigen pop, ik wil niet meer met jouw poppen.’

‘Dan niet,’ Margriet is boos. ‘Ik ga naar huis. Jij krijgt heus geen pop en met mijn poppen mag je nooit meer spelen. Ik speel helemaal niet meer met jou.’ Weg is ze. De jongen loopt nog maar eens een rondje over het plein.

‘Jongens spelen toch niet met poppen? Wat haal je nu in je hoofd lieverd, daar heb je toch niets aan?’ Onduidelijke beelden dwalen door zijn hoofd. Een pop zal dingen anders maken denkt hij al heeft hij geen idee hoe. Wekenlang blijft hij zeuren en uiteindelijk geeft zijn moeder toe. Samen gaan ze naar de speelgoedwinkel vlak bij het Muiderpoortstation.

‘Oh, maar heel veel jongens krijgen tegenwoordig een pop,’ hoort hij de winkeljuffrouw reageren op zijn moeders verontschuldigende houding. ‘Heel veel jongens.’ De jongen kijkt en kijkt, betoverd door planken vol prachtige poppen voelt hij kriebels in zijn buik. Poppen in roze en blauwe jurkjes, strak rechtop in hun doos, hun haren glimmend grote hoeden in zwart en blond; zo mooi maar toch passen ze niet in zijn droom.

‘Is er ook een jongenspop?’

‘Natuurlijk niet,’ weet zijn moeder maar de verkoopster weet beter, ze legt zes of zeven kleine, geslachtsloze poppen naast elkaar. Hij heeft gekozen voor ze klaar is. Het wordt een zwarte pop. Een gladde, zwarte pop zonder kleertjes met een ernstige uitdrukking in zijn bruine ogen. De ogen bevallen de jongen het meest. Als je de pop op zijn rug legt gaan ze dicht, weer rechtop kijken ze hem weer aan.

‘Het wordt dus een negerpop,’ zegt de juffrouw maar hij weet zeker dat het een jongen is. Dagenlang zit de pop op de ombouw van zijn opklapbed. ‘s Avonds, als het bed naar beneden geklapt is, kan hij erbij en schuift er wat mee. Hij laat hem zitten, armen vooruit, armen langs zijn zij… staan tegen de muur en dan weer slapen, ogen dicht. Zijn broer die op dezelfde kamer slaapt pest hem ermee.

‘Meisjes spelen met poppen man, je bent een meisje.’ Hij speelt zwijgend door en laat zijn ogen niet zien. Tijdens het inslapen probeert hij een naam te verzinnen.

Hij heeft twee armen nodig om de doos te dragen; een kartonnen doos van de groenten met een oude theedoek waarin hij de pop, nog steeds zonder naam, heeft gewikkeld. In een onderdoorgang, halverwege het plein, gaan hij en Margriet zitten en pakken hun schatten uit.

‘We spelen ziekenhuis,’ beslist hij. ‘Deze pop is nog heel klein, hij is een beetje ziek en moet nog veel slapen.’ Hij dekt hem toe met de lap. Een pop van Margriet ligt ernaast. De doos wordt ziekenzaal: toedekken, uithalen en weer instoppen. Ogen dicht, ogen open en weer dicht. Drie grotere jongens rennen schreeuwend door de poort. De jongen spant zijn rug, knijpt zijn ogen tot spleetjes en ontspant pas wat, niet helemaal gerust, nadat ze verdwenen zijn naar de Insulindeweg. Een minuut of wat later komen ze terug, joelend en schreeuwend. De jongen schuift angstig met zijn rug naar de muur en ziet dan hoe de kleinste van de drie plotseling boven op de ziekenzaal springt en er juichend op staat te dansen. De andere twee roepen en lachen en doen vervolgens mee. Margriet begint te schreeuwen, de jongen blijft stil en doet zijn ogen dicht.

Het duurt niet lang voor de doos plat is en zijn pop een massa kleine, zwarte stukjes kunststof.

‘s Middags gaat hij op zoek naar de donkerblauwe auto maar die is weg.

 

 

 

 

 

 

Bruggetjes

Lieve Allemaal,

Als er zoiets als een bloggersblock bestaat dan was dat het; ik ben weer veel te laat. Misschien was het de regen die wekenlang over Bali raasde. Twintig, vierentwintig uur achter elkaar, een kleine pauze en dan huppakee, volgende lading. Misschien was de ellende die elke morgen uit mijn laptop dampt als ik de kranten open er debet aan. Geïnformeerd en geestelijk gezond blijven is een balancing act geworden.

Vorige week stond het hele huis te schudden door een flinke aardbeving. De tuin (en de regen) inrennen en er weer even aan herinnerd worden dat zelfs de grond onder de voeten niet altijd stabiel is. Van wat wij mensen bedacht hebben kan dat nog minder gezegd worden, alles is in beweging. De kranten gaan (meestal) niet over aardbevingen maar wel te vaak over aanslagen op het fundament van onze samenleving.

Zo ook in Indonesië, alles wat anders is ligt onder vuur in pogingen massa’s te mobiliseren op grond van imaginaire ‘gelijke waarden’. Tolerantie en grondwet kunnen, als het aan een aantal volksmenners ligt, de schoothoop op. Regeerders zien wellicht het probleem maar ook politiek gewin en houden zich stil of gaan er in mee. Corrupte zelfverrijkers gaan liever voor de winst dan de moraal, fatsoen legt het af tegen het uitzicht op meer macht. En genoeg meelopers (of schrijf ik verdoolden?) om het op een beweging te doen lijken die diep geworteld is in het volk. Ook hier betwijfel ik of dat ook zo is. Meelopen omdat het ‘zo hoort’ is zeker een slapheid maar daarmee is nog geen diepere overtuiging aangetoond. Het valt steeds weer op dat ultieme xenofoben altijd wel een paar ‘goede buitenlanders’ kennen, dat de grootste racist ook wel eens een andere ervaring had en die homohater kent ook wel een jongen of meisje dat okay is. Altijd weggezet als ‘uitzondering’ en toch denk ik dat juist daar openingen liggen. Als onbekend onbemind maakt, maakt gekend dan bemind? Lang niet altijd lijkt me maar er kan wel een soort van begrip ontstaan.

Een – nota bene islamitisch – centrumpje voor homo’s en lesbiennes in Yogyakarta functioneerde jarenlang in harmonie met de buurt. Een gebedshuis van Ahmadiyah was gebouwd met alle vergunningen en volledig geaccepteerd binnen de gemeenschap, ze organiseerden zelfs een jaarlijkse sportdag voor de hele kampung. Iedereen was enthousiast over de daadkracht van de gouverneur van Jakarta. De dagelijkse praktijk laat veelal een beeld zien van relatieve harmonie. Alles gaat goed tot een paar zeloten de aanval openen. Hier met Islam als wapen, in de VS en Europa met joods christelijke wortels, in Myanmar met boeddhistische identiteit.

Overal types die ik niet voor dom houdt (was het maar zo) die angst en waanzin in de aanbieding hebben en reden zien bruggen af te breken in plaats van te bouwen. Verstandig stemmen, alert zijn op sluipende verschuivingen in tolerantie en vooral bruggetjes bouwen. Naar de buurman, naar de Rus waar ik mee praat in het restaurant en met wie ik maar contact heb. Meer zit er niet in maar dat kan genoeg zijn. Dat vertrouwen laat ik me niet afnemen.

Vandaag schijnt de zon weer en hopelijk is wat ik hoorde van een Balinees ook waar: als er weer dragonflies te zien zijn is het regenseizoen voorbij. Ibu Putu blijft sjoemelen met de rekening en moet telkens gecorrigeerd worden omdat ze, geheel per ongeluk, 10 of 20 duizend te weinig rekent. De lekke band van mijn motor werd door ‘mijn vaste chauffeur’ gerepareerd en hij wilde er absoluut niet voor hebben, de zon schijnt. Intussen loop ik, in Afrika geleerd, stampend door huis en tuin. Toen ik gisteren vanuit de keuken de badkamer inkeek lag daar een flinke slang, zo’n 2,5 meter lang en niet zo dunnetjes uitgevallen, die snel onder de achterdeur door verdween. Toen ik hem/haar later op de middag nog een keer in de buitendouche trof was hij al onderweg naar elders, stampen helpt. De muizen zijn er ook mee gestopt – ik prefereer muis – de keuken te bezoeken. Ik had gif gekocht waarvan ik me begon af te vragen of het niet gewoon een lekkernij voor ze was, zeker nadat een heel doosje van het aanrecht was verdwenen. Met regelmaat betrapte ik zo’n wel erg dikke grote muis die de keuken of badkamer uit vluchtte. “Ben ik ze aan het bestrijden of onderhoud ik ze?” was de vraag. Ze zijn weg. Misschien omdat de rijst weer aan het groeien is. Of gewoon omdat het mooi weer is.

Lieve groet, Frank.

Werk te doen

Lieve Allemaal

In Afrika druk bezig geweest het restaurant te versieren met nietszeggende rommel, bergen papier-maché manen, sterren en klokken en wat dacht je van roze engeltjes met een lampje in hun kop en één onder hun rok. Esthers restaurant organiseerde een kerstlunch en ook papieren hoedjes waren ingekocht.                                                     Het was geen doorslaand succes. Niet die kerstlunch, daar was ik gelukkig niet bij, ik bedoel Afrika. In het land waar nog altijd een deel van mijn hart woont voelde ik me twee weken niet op mijn plaats en dat is een understatement. Nog steeds zit ik te puzzelen over wat er is gebeurd en nog steeds wordt ik wat ziek van mezelf en de situatie. Tientallen gesprekken met bezoekers / vrienden van het restaurant en in nauwelijks een gesprek ontbrak het vloeken dat het land zolang al teistert: racisme. Vloeken, luider dan ik ooit hoorde; mijn huidskleur maakte dat niemand het ook maar voor mogelijk hield dat ik andere gedachten zou hebben. Een grimmige sfeer waar haat vrij spel kreeg, het oude liedje van wij en zij waarbij wij uiterst superieur zijn en zij … Nee, niet herhalen. Was het er altijd in die mate en keek ik niet goed, was het toeval dat ik er nu mee geconfronteerd werd, waren die vrienden dan zo erg veranderd? De schok was er niet minder om en gast zijn is dan geen voordeel. De conventie (of is het eigenbelang de lieve vrede maar te bewaren) schrijft voor beleefd te blijven. Geen harde woorden, woede inslikken en welopgevoed onduidelijk zijn. Een voorzichtige tegenwerping kan nog en dan houdt het op.

En het begint: een gevoel van laf verraad aan hem, mezelf en zovelen, alles waar ik voor zeg te staan in de derrie laten zakken. ‘Een verschil maken waar ik kan’ schreef ik naar aanleiding van kerst. En toen? Ik neig nu naar knuppel en hoenderhok (ook te laat) maar weet ook dat het alleen maar hakken in het zand gebracht had. Ik blijf zoekende. En beschaamd.

Welbehagen, een warme wintermantel die we onszelf en elk ander zo gunden: het kerstgevoel. Maar het feest van licht is achter de rug en kan sowieso niet meer dan een begin zijn, een intentie die pas in daden echte vorm krijgt. Het is tijd voor (her)opening van de winkel, er is werk te doen. Veel. Voorlopig sta ik in de min.

Oudejaarsavond kwam ik weer aan in Indonesië. Airmiles gebruikt voor een upgrade naar de business class dus lekker geslapen en goed gegeten. Bij de douane veel gedoe over een emmer shelfprimer (poeder) die ik bij me had maar nadat ze het proefden waren ze toch overtuigd; ik mocht naar huis. In Bali meer vuurwerk dan andere jaren. Al komen ze niet in de buurt van de 68 miljoen die Nederland de lucht in schoot, er kon blijkbaar wel het een en ander af. Zoef was extatisch me weer te zien, het huis stond er goed bij, een black label of twee en naar bed. Ibu Putu was de volgende morgen zo vriendelijk enthousiast te melden dat ik dik geworden was. We schatten de zegeningen daarvan duidelijk verschillend in.

Ook hier ziet het nieuwe jaar er niet in alle opzichten even positief uit. De gouverneur van Jakarta gaat voor herverkiezing. Zijn eerste termijn kwam niet van directe verkiezing, hij was running mate van de man die nu president is. Hij is van Chinese komaf – voorouders vele generaties terug kwamen daarvandaan – en christen. Wat knippen en plakken in een toespraak van hem, op het internet zetten en de gevolgen waren kolossaal. Honderdduizenden kwamen naar Jakarta om zijn aftreden te eisen (de milde reacties), onmiddellijke vervolging wegens blasfemie (de standaard reacties), of zijn dood (de fanatiekste). Onder druk van de fundi’s kwam het tot vervolging en het is hoogst onzeker hoe het af gaat lopen, rechters hier staan niet bekend om hun sterke knieën. De ware reden, chinees en vooral christen zijn, wordt door niemand uitgesproken, een stok is gevonden/gemaakt en dat is genoeg. Intussen zijn er krachten aan het werk die alcohol, overspel, seks buiten het huwelijk en homoseksualiteit willen verbieden. Fundamentalisten proberen de zaak over te nemen, de regering is zwak, het wordt spannend. Ik ben hier gast maar misschien toch maar mijn mond wat vaker opendoen, de winkel wijd open zetten.

Veel liefs, Frank

 

 

 

 

 

 

Betrouwbaar

Lieve Allemaal

In Bali was er in de avond een kleine aardbeving. Je went er nooit aan. Een beetje paniekerig zat ik op het terras en bedacht, toen het al voorbij was, dat ik eigenlijk naar buiten had moeten lopen. Als het echt mis gaat wil je geen balk op je kop. (Ook geen kokosnoot overigens.) Alles mag bewegen, bomen kunnen in het zwembad vallen maar de aarde, de grond onder onze voeten zou zich daarvan moeten onthouden; letterlijk en figuurlijk. De praktijk is anders, eergisteren kreeg Atjeh, de ramp van 2004 nog nauwelijks te boven, weer een slag te incasseren. Van de kant van de natuur zijn geen zekerheden te verwachten, die zullen we elkaar moeten geven.

Een Belgisch staatssecretaris die het, tegen rechterlijke uitspraken in, verdomt een gezin uit Syrië toegang te verlenen tot het land en een forse dwangsom voor lief neemt om zijn xenofobe gedachtenspinsels door te drukken. Een Nederlands politicus die een rechterlijke uitspraak naast zich neerlegt en de rechters knettergek noemt; zich democraat noemende bestuurders die geen probleem hebben met het ondermijnen van de rechtstaat. Intussen is het zich verschuilen achter formaliteit en juridische spitsvondigheden ook geen overheid vreemd. Rücksichtslos wordt betrouwbaarheid aan de kant geschoven en de zekerheid die we elkaar wél kunnen bieden teniet gedaan. De verbijstering over teruglopend vertrouwen wordt bewaard voor later. Die houding als normaal of begrijpelijk accepteren is een verarming. De cynische houding die ook media wel tonen – logisch dat hij zijn standpunt veranderde, het kostte hem kiezers – staat haaks op betrouwbaarheid, erodeert vertrouwen. Voortschrijdend inzicht is een goed ding, gedraai met eigen overtuiging omwille van macht is dat niet. Een kleine tegenzet is weloverwogen stemgedrag, het echte werk is zelf betrouwbaar blijven.

In Nederland les gegeven aan een leuke groep en familie en vrienden bezocht. Dan blijkt het weer: als er wederzijds liefde of zelfs maar achting of respect is, is betrouwbaarheid een gegeven, is vertrouwen een uitkomst die elke ontmoeting tot een warm bad maakt. Het was mooi en verrijkt ging ik verder.

Terug naar Afrika, het is weer mooi en ook mooi weer. De vlucht hierheen veroorzaakte wel gemengde gevoelens. Laat vertrokken uit Parijs werd, terwijl we boven de Middellandse Zee vlogen, het diner geserveerd. Geen haute cuisine maar redelijk eten op een rustige vlucht. Glaasje champagne vooraf, flesje wijn en na afloop koffie met cognac en toch wat kribbig raken van de krappe stoeltjes. Een blik in de krant en ik las een artikel over die andere reizigers, de mensen die, tien kilometer beneden mij, diezelfde zee overstaken in de andere richting. Niet zeewaardige rommel, overbelast met vele malen de feitelijke capaciteit van passagiers, dit jaar zijn meer mensen verdronken op die route dan ooit. Gelukzoekers zeggen sommigen met een beschamend onzinnige term. Alsof mensen verweten kan worden geen ongelukszoeker te zijn, geen verdrietliefhebber, geen vriend van uitzichtloosheid.

Gammele, uiterst dubieuze deals moeten zorgen dat ze onze wereld niet halen of terug gaan, de vluchtelingen voor oorlog en geweld sorteren we op nationaliteit en ‘ernst van de situatie en daar laten we er dan een paar van toe: in verhouding nog geen procent van wat landen in de regio noodgedwongen en zonder substantiële hulp doen. Betrouwbaarheid. We staan voor die joods/christelijke of, naar keuze, humanistische cultuur in Europa. Hoe is het dan met betrouwbaarheid?

Voor mijn gastvrouw wat boodschappen doen in Magaliesburg, dertig kilometer verderop. Het is warm, de supermarkt is vol als was het de laatste gelegenheid inkopen te doen voor de kerst, veel vakken zijn leeg en het is zoeken. Het meisje aan de kassa herkent me van vroeger en we hebben een leuk gesprek. Buiten gekomen spreekt een jongeman me aan. ‘Hi mister Frank, ik heb een ijsje voor je gekocht.’ Verbaasd kijk ik hem aan. ‘Ja, u herkent me misschien niet meer maar vijf zes jaar geleden kwam ik bij u op de kunstklas en dat was leuk. Nu heb ik een baan en het is warm dus ik dacht …

Betrouwbaarheid is overal breed voor handen. Het is maar waar we kijken.

lieve groet, Frank

 

 

 

 

 

 

Doorgaan

Lieve Allemaal,

Weer een nieuwe tuinman gevonden, de vorige liet weten misschien te willen stoppen en misschien morgen langs te komen om te praten. Dat is vijf weken geleden, niets meer gehoord. Malu – verlegen/schaamte – denk ik. Niet goed durven, uitstellen, nog minder durven en het dan maar laten. Ik herken er wel iets van, van dat telkens uitstellen en dan niet meer durven. Een telefoongesprek blijven uitstellen en dan zaterdags niet ontevreden vaststellen dat het even niet kan: weekend, ze zijn dicht. Moeilijk gesprek uit de weg gaan, verjaardag vergeten en uiteindelijk helemaal niets meer doen …. Alleen hier in Bali lijkt het allemaal wat sterker ontwikkeld. Ik schreef er vaker over: het ergste wat je kan overkomen is als je malu moet zijn en je gezicht verliest naar anderen. Die school waar leerlingen wordt ingeprent zich te je schamen als ze een fout maken is geen uitzondering, het is de standaard. Leren door het leven te gaan zonder te mogen vallen. Een soepele tred wordt het nooit.

Soms is het zo’n dag, ik stond op en stapte in een plas water. Tijdens de nacht had het zo hard geregend en gewaaid dat de vloer in de huiskamer deels nat was. In de badkamer aangekomen bleek het omgekeerde het geval: geen water. Ik deel de pomp met de buren en hoewel ik braaf elke maand in de elektriciteit bijdraag hadden ze ‘vergeten’ te betalen en dan werkt die pomp dus niet. Geen douche die dag dus maar … geen nood, ik ga zwemmen. Nou nee. Een hoge boom van het landje hiernaast had de storm niet overleefd en zijn kruin in het zwembad gestort. Grote kruin, klein zwembad, vol dus en geen zwem. Dat de hond later op de dag wegliep, dat ik mijn telefoon kwijt was, dat het internet haperde en dat de ‘vers’ bij de supermarkt gehaalde eieren rot bleken te zijn; het verbaasde me niet meer. Het was zo’n dag.

Vloer aangedweild, hulp gevonden om de boom te verwijderen, de poten van de glazen tafel te drogen gezet en de buren betaalden hun elektriciteit; alles was weer okay. Lichtpuntje, in alle gesleep met meubels een nieuwe indeling van de kamer gevonden en uiteindelijk heel tevreden.

Woensdagmorgen lag dat wat anders. Liever had ik een heel oerwoud in het zwembad gezien dan te moeten begrijpen dat een narcistische bully – de complete serie passende benamingen bespaar ik je – de volgende president van de VS wordt. Democratie kreeg misschien de grootste slag te verduren sinds 1933, het is hopen dat zijn slogans precies dat blijven: slogans. Bij het klimaatverdrag lijkt dat alvast niet op te gaan; hij wil eruit stappen. En natuurlijk blijft zijn totale gebrek aan moreel besef een beschamend iets. De toekomst van onze planeet voorlopig in de prullenbak, 60 miljoen deels wanhopige mensen, opnieuw, belazerd. American dream – je kinderen krijgen het beter. Mijn bips, niet onder Trump en ik denk ook niet onder Clinton.

Aan onze kant van de oceaan is het nauwelijks anders, de verdeling klopt niet en gaat ook niet kloppen, niet met onze huidige systemen. Klein bier in vergelijking met bijvoorbeeld Afrika of China maar evenzogoed onhoudbaar; niet moreel en in een steeds kleiner wordende wereld ook effectief niet. Het loopt niet goed in de wereld, het laatste bastion is mijn eigen vierkante meter en ik ben lang niet altijd gerust op een goede afloop. Toch maar doorgaan te werken aan dat ideaal van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Met liefde blijven werken aan een menswaardige wereld.

Lieve groet, Frank

dsc_0053

dsc_0051